Stad op de heide

Hoewel de perspectieven van de gevangenen somber waren, werd er in kamp Westerbork alles aan gedaan om het niet op de laatste halte aan de weg naar de vernietiging te laten lijken. Desondanks was het leven van alledag er zwaar. In de barakken was nauwelijks ruimte. Niemand kon zich eens terugtrekken. De hygiëne liet alles te wensen over. Aan luizen en vlooien geen gebrek. De bewoners leefden op elkaars lip. Daar moesten wel ergernis en ruzie van komen. Etty Hillesum:  'De grote, ten hemel schreiende nood van Westerbork begint eigenlijk pas in de kolossale, in der haast gebouwde barakken, in die volgepakte mensenloodsen van tochtig latwerk waar onder een laag hangende hemel van het drogende wasgoed van honderden mensen de ijzeren britsen driehoog opgestapeld staan.'

Het kamp moest zoveel mogelijk functioneren als een normaal dorp. Wie een baantje had kon van dubbel geluk spreken. Niets was erger dan doelloos door de modder van het kamp te lopen en zijn tijd te verdoen met het wanhopig bedenken van listen om aan een felbegeerde vrijstelling voor de trein te komen. Iedereen kon je vertellen dat wie niks om handen had, het eerst kon instappen. Er waren cursussen en er kon gesport worden. Zelfs winkelen was mogelijk. Het kamp had zijn eigen geld. Daarmee kon je in het Lagerwarenhaus en de Lagerkantine terecht. Er was zelfs een wisselkantoor waar het laatste 'gewone' geld voor de biljetten van kamp Westerbork ingewisseld kon worden. In de registratiebarak werden op dinsdagavonden revuevoorstellingen en concerten gegeven en toneelstukken opgevoerd.

Voor de kinderen leek het kamp nog normaler dan voor de volwassenen. Ze moesten, net als thuis, naar school. Eigenlijk was Westerbork zijn tijd zelfs vooruit. Voor de kinderen van 1 tot 6 jaar liepen crèche en kleuterschool in elkaar over. Voor de oudere kinderen gold een leerplicht tot 15 jaar. Zo leidden de jongste kampbewoners overdag een leven dat zo normaal mogelijk leek. Doordat docenten iedere week konden worden weggevoerd, was ook het onderwijs afhankelijk van de binnenkomende en uitgaande transporten.

Vooral bijzonder in kamp Westerbork was de ziekenzorg. Ondanks de dreiging van de transporten hadden de patiënten over het algemeen niets te klagen. Het trof dat er zoveel Joden chirurg, arts of tandarts waren. Een baantje in de verpleging was zó gewild dat met gemak het beste personeel uitgezocht kon worden. Op een gegeven moment beschikte het ziekenhuis over 1725 bedden, 120 artsen en 1000 man of vrouw aan personeel. Ziek zijn in de eigen barak viel echter niet mee. Etty Hillesum: 'Op drie britsen nu leeft men en sterft men, eet men, ligt men ziek of slapeloos, omdat er zoveel kinderen huilen door de nacht of omdat men zich steeds weer afvraagt, waarom er toch nauwelijks berichten komen van de vele duizenden, die al van deze plek vertrokken zijn.'