Ivar Schute - Kratten met vondsten

Vanuit het raam zie ik de houten gevel van de villa en het grote hek dat eromheen staat. Bewakingscamera’s  vangen mij in hun beeld. Het regent – al twee weken- en het grote grasveld waaraan de villa ligt, is leeg en verlaten. Bij deze plek past stilte. Maar na twee weken zit ik hier aan tafel zonder dat ik er nog bij nadenk, aan wat hier is gebeurd. We lachen om onze grappen tijdens de lunch, zoals iedereen, alsof we thuis zijn en alsof die villa geen betekenis voor ons heeft. Feit is, onze schaftkeet staat op een bijzonder ongewone plek, in de tuin van de villa van Gemmeker, de SS-commandant van Kamp Westerbork. Een huis dat ik inmiddels van boven tot onder ken, waar ik letterlijk onder de vloer heb gelegen en in het stof op de vliering. Waar we potloodopschriften vonden op een vergeten kist in de schuur. Namen en jaartallen..

Ruim twee weken hebben we onderzoek gedaan in en om de villa en op de vuilstort. De laatste week regende het continu. Uit de modder van de vuilstort hebben we uit drie proefputten ongeveer drie kubieke meter vondstmateriaal gehaald. Een enorme hoeveelheid. Per vak, per laag en per krat is alles nat gezeefd en getransporteerd naar een gehuurde boerenschuur, om daar de vondsten verder te wassen en te laten drogen. Vanaf de 28e zullen we de eerste lading gaan determineren en catalogiseren. Het zou routine moeten zijn, maar bij dit onderzoek was niets routine.

Alsof er een vergrootglas op lag, op ons en op ons werk. De pers dook massaal op de aankondiging van het onderzoek. En vroeg ons naar resultaten, die we op dat moment natuurlijk nog niet konden leveren. En nu nog niet. In die boerenschuur staan enorme stapels kratten met vondsten, die nu door vrijwilligers van het Herinneringscentrum worden gewassen. Pas daar zie je wat er tevoorschijn komt. Als ik achter de zeef stond, kreeg ik langzaam een indruk van het materiaal. Er zitten grote verschillen tussen de inhoud van de drie putten, al is het maar dat er in een put helemaal geen plastic zit. Ouder dan 1950? Op basis van de munten zou je dat wel zeggen. De vreemdste vondst: een bijna vergaan Duits boek in gothisch schrift. Of in de laatste put, tussen het plastic, vijf kunstgebitten.

In het veld zijn we klaar, op kantoor beginnen we pas. Langzaam ontvouwt zich het leven van de bewoners van het kamp, gereflecteerd in hun afval, of de dingen die daarin verloren zijn gegaan zoals een  zilveren zegelring. Met verbazing bezien we het materiaal. Een deel is uit de oorlog en een deel van erna. En het roept vragen op. Hebben ze het laboratorium en het hospitaal leeggehaald, misschien kort na de oorlog? Wat doen vooroorlogse Amsterdamse gasmunten op de vuilstort? Hadden de Amsterdamse joden deze meegenomen? Kammen, haarspelden, flesjes parfum en goedkope sieraden: zijn het de sporen van de Molukse vrouwen in het kamp tussen 1950 en 1955? Waarom vinden we geen plastic balpennen of aanstekers, om maar eens iets te noemen. Het materiaal stelt ons vragen, geeft antwoorden en stelt weer nieuwe vragen.