Bouw

De Joodse gemeenschap liep aanvankelijk niet warm voor 'mooi Drenthe'. Het was trouwens gênant dat zij daarin niet eens gekend was, terwijl zij wèl voor de kosten moest opdraaien. Het Centraal Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen en het daaronder vallende Comité voor Joodsche Vluchtelingen besloten evenwel akkoord te gaan. Onder de groep van Joodse vluchtelingen die naar Palestina wilden afreizen was er zeker enthousiasme voor dit kamp in de wildernis. Dit groeide toen er beloften werden gedaan over frisse houten barakken, uitgerust met centrale verwarming en uitstekende sanitaire voorzieningen. Daarnaast was er sprake van eengezinswoningen.

Het perspectief van een nieuw te bouwen dorp met mogelijkheden voor akker- en tuinbouw, veeteelt en kippenhouderij, voor een smederij, schoenmakerij en onderhoudswerkplaatsen deed het beste vermoeden. Beloften over een synagoge, school en recreatieve voorzieningen deden de scepsis nog meer verdwijnen. Bovendien zou het ministerie van Binnenlandse Zaken het beheer gaan voeren. Dat duidde op meer soepelheid dan wanneer Justitie er de baas zou zijn. Er zouden plannen bestaan om binnen het kamp het verschil tussen legaal en illegaal weg te poetsen.  In augustus 1939 begonnen arbeiders in de werkverschaffing met de bouw van de barakken. Op 9 oktober 1939 kwamen de eerste Joodse vluchtelingen in het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork aan.