16-18 mei 1944



Op 16 mei 1944 vond er in Nederland een grote razzia plaats. 578 Sinti en Roma werden opgepakt en naar kamp Westerbork weggevoerd. Vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog reisden ongeveer 4.500 Sinti en Roma met hun vioolorkesten en handelswaar door Nederland. Tijdens de oorlog werden ze in grote woonwagenkampen geplaatst. Zij kregen een verbod met huifkarren rond te trekken. Enkele tientallen Sinti en Roma gingen uit angst voor deportatie in huizen wonen.

Op 14 mei 1944 verstuurde de Duitse bezetter een telegram aan verschillende Nederlandse politiekorpsen met de opdracht ‘ […] eener centrale aanhouding van alle in Nederland verblijvende personen die het kenmerk der zigeuners bezitten’. Alle Sinto- en Roma-families moesten naar kamp Westerbork worden gebracht.

In Westerbork werd duidelijk dat de Nederlandse politiediensten de term ‘zigeuner’ te breed hadden opgevat. Ongeveer 200 personen bleken geen Sinti of Roma, maar woonwagenbewoners. Zij werden kort na aankomst vrijgelaten. Ruim 50 Sinti en Roma hadden daarnaast een paspoort van een neutraal of geallieerd land. Ook zij mochten uit het kamp vertrekken.

De overige bijna 250 Sinti en Roma kwamen in het strafgedeelte van kamp Westerbork terecht. Drie dagen werden ze hier bewaakt door de Joodse Ordedienst (OD) van het kamp.

Weinberg Wijvern was één van de bewakende OD’ers:

‘Het was een vreemde groep die het kamp binnengebracht werd. Het waren geen Joden maar zigeuners. Wij kregen de opdracht tijdens de nacht bij de zigeuners op wacht te staan. Dus daar stonden we dan, met een grote zaklamp in de aanslag. Zo nu en dan kwamen er vrouwen naar ons toe die ons voorzichtig vragen stelden over wat er met hen zou gaan gebeuren. Dit waren vragen waar wij ook geen antwoord op konden geven.’