De Schattenberg



Op 4 juli 1950 arriveerden de eerste repatrianten uit Indonesië in De Schattenberg. Tot in november zouden nieuwe repatrianten aankomen, per bus vanuit Amsterdam of Rotterdam. Rond Kerstmis 1950 had het kamp 1.050 inwoners. Zij woonden in twee grote barakken vlak bij de ingang van het kamp. De ene barak was voor gezinnen, de ander voor alleenstaanden en oudere kinderen. Iedereen probeerde meteen een eigen hoekje in te richten, liefst aan de zonzijde van de barak. De andere kant was koud en vochtig, constateerde ook een commissie die de situatie in de woonoorden en opvangcentra onderzocht. ‘Er zijn belangrijke verschillen in woningen. Sommige verblijven liggen op de zonkant; er zijn ook plekken waar de zon nooit komt. Deze komen onzes inziens slechts in de allerlaatste plaats voor bewoning in aanmerking en dan nog uitsluitend voor gezinnen zonder kleine kinderen en niet voor mensen op leeftijd.’

De bewoners mochten niet zelf koken. Warm eten kon men één keer per dag halen in de centrale keuken. Voor aanvullende waar konden de bewoners terecht in de toko, net buiten het kamp. Twee bakkers bevoorraadden de winkel, twee repatrianten beheerden deze. Ze verkochten van alles: van  ondergoed, gerookte vis en pingpongballen tot bloemen. De meeste Schattenbergse mannen waren door de week niet thuis. Als voormalig KNIL-militair dienden zij in het Nederlandse leger en waren ze ergens in het land gedetacheerd. Op zaterdag kwamen ze in het kamp aan, ‘s zondags vertrokken ze weer.

In maart 1951 werd De Schattenberg ontruimd. Er stonden nieuwe bewoners te wachten. De laatste Indische Nederlanders verhuisden – zeer tegen hun zin – naar hotels en pensions.