Monument en afbraak

Hoewel de aandacht voor het oorlogsverleden kort na de bevrijding groot was, was er voor de Holocaust - het systematisch uitroeien van de Joden - nauwelijks aandacht. Dit gold ook kamp Westerbork. Het bleef zonder discussie tot en met 1971 in gebruik en kreeg als vanzelfsprekend steeds nieuwe bewoners. Draagvlak was er in de eerste decennia na de oorlog evenmin voor een monument, ook niet van Joodse zijde.

In 1949 kwam er op initiatief van de Stichting 40-45 een monument ter herinnering aan de in het kamp gecremeerde verzetsstrijders. Naar aanleiding hiervan deed de Stichting een verzoek om het crematorium van kamp Westerbork te laten staan. De opperrabbijn liet echter weten dat de Joodse gemeenschap geen enkel bezwaar tegen afbraak had. Ook een initiatief van de Commissaris der Koningin in Drenthe, mr. J. Cramer, in de tweede helft van de jaren vijftig om tot een monument te komen dat een herinnering aan het lot van de Joden zou zijn, kreeg geen bijval: ‘Een monument in Westerbork zal zeker voor het nageslacht geen enkele betekenis hebben.’ Als reden werd aangevoerd dat het oprichten van een monument werd gezien als een manier voor niet-Joden om hun geweten te zuiveren, ja zelfs voor ‘collaborateurs om hun geld in kwijt te kunnen’. Over afbraak van het terrein waren de Joodse voormannen helder: ‘En de autoriteiten mogen van ons er verder mee doen wat ze willen.’ 

Aan het eind van de jaren zestig begon het beeld echter te veranderen. Toen kreeg een nieuw initiatief van het provinciaal bestuur van Drenthe om een monument te realiseren wel steun. Hoewel de oorlogsgeneratie nog steeds geen behoefte aan een herinneringsteken had, lag dit bij de tweede generatie anders. Het resultaat was het in 1970 door koningin Juliana onthulde Nationaal Monument. Het ontwerp, waarin de spoorlijn wezenlijk is, was van oud-kampgevangene Ralph Prins.

In dezelfde periode speelde de vraag naar de bestemming van het voormalige kampterrein. Eind jaren vijftig had de regering al besloten dat woonoord Schattenberg ontruimd moest worden. Afbraak van alle barakken werd als vanzelfsprekend gezien.

Commissaris der Koningin, K.H. Gaarlandt, en gedeputeerde (en oud-burgemeester van Westerbork), G. Londo, bepaalden in hoofdzaak het vervolg. Voor hen was het regelmatig geopperde idee van een recreatieve bestemming onbespreekbaar. Ook de wens om het terrein als militair oefengebied te gebruiken werd afgewezen. Een voor iedereen aanvaardbare oplossing deed zich voor toen de plannenmakers bekend werden met de noodzaak voor de Radiosterrenwacht om twaalf grote telescopen te plaatsen. Door een storingsvrije zone zou rust en stilte in het hele gebied zijn gewaarborgd. De eerste telescoop werd in augustus 1967 geplaatst.