Voorgeschiedenis



Toen in 1933 Adolf Hitler in Duitsland aan de macht kwam, begon de jacht op politieke tegenstanders. Voor de Joden werd het leven steeds moeilijker: stap voor stap werden zij geïsoleerd. Niet ieder wachtte af en vluchtte naar het buitenland, zoals naar Nederland. Vooral na de eerste openlijke vervolging van de Joden, de Reichskristallnacht op 9 november 1938, kwam een grote stroom vluchtelingen naar ons land.

Met de Nederlandse gastvrijheid hield het echter niet over. Tot aan het begin van de oorlog werden 10.000 Duitse vluchtelingen toegelaten, anderen kwamen illegaal het land binnen. De Nederlandse regering was niet van plan voor de opvang van deze mensen geld uit te geven; alle initiatieven waren afkomstig van particulieren. De vluchtelingen gingen van kamp naar kamp, hun koffers moesten constant gepakt staan. De regering zag in dat het zo niet langer kon en meende de oplossing te zien in de bouw van een centraal vluchtelingenkamp op de Veluwe, in de omgeving van Elspeet. Er kwamen protesten van omwonenden en van de ANWB maar doorslaggevend was die van koningin Wilhelmina. Haar secretaris liet minister van Binnenlandse Zaken Van Boeyen weten dat een vluchtelingenkamp dicht bij paleis ‘t Loo de Koninklijke goedkeuring niet kon wegdragen. Het kabinet richtte vervolgens de blik op Drenthe, waar bij Westerbork een flinke lap onontgonnen grond lag. Eenzaam, wild en woest en ledig. Ideaal voor het Centraal Vluchtelingenkamp.